Mijn nickname komt van burggraaf
Rudolf III van Coeverden. Hij is vooral bekent van de slag bij Ane Op 27 juli 1227.
In 1226 is een vete ontstaan tussen de verwante burggraaf
Rudolf III van Coeverden en de Groningse prefect Egbert. Ondanks het feit dat beiden vazallen van het bisdom Utrecht zijn. Het lukt de bisschop, Otto II von der Lippe, niet beide heren te verzoenen. Evenmin slaagt hij erin ook maar een enkele tiende van de Drentse boeren te innen. Rudolf III jaagt Egbert Groningen uit, maar deze weet op zijn beurt met bevriende Friezen Rudolf III van zijn grondgebied te jagen. Niet lang daarna komt Rudolf III terug met een leger Drenten om Groningen te belegeren. Ten einde raad vraagt de burggraaf de bisschop om hulp.
Bisschop Otto II van der Lippe roept daarop in 1226 diverse edelen op om het oproer neer te slaan en hun macht aan de boeren te laten zien. De graven van Holland, Gelre, Bentheim en Kleef bieden de helpende hand, alsmede de heer van Amstel. In de zomer van 1226 verzamelt een grote strijdmacht zich bij kasteel Heekeren bij Goor. Aanvoerder wordt Rudolf van Goor, een reus van een kerel. In de zomer van 1227 trekt de uitgelezen ridderschaar Drenthe binnen. Die zal dat armzalige troepje boeren wel even een lesje leren. Ondertussen wacht heer Rudolf III van Coeverden met zijn legertje rustig af. Hij kent het terrein op zijn duimpje en lokt de geallieerde ridders steeds verder het moeras in.
Op 27 juli 1227 loopt het zwaar bepantserde ridderleger in het moeras tussen Ane en Coevorden vast. De paarden kunnen niet meer voor- of achteruit! Rudolf III van Coeverden acht de tijd rijp om toe te slaan. Het ridderleger wordt in de pan gehakt door de boerensoldaten van Coevorden. Zowel vrouwen als mannen vermoorden de weerloze ridders; een hele dag duurt de slachting. Vijfduizend ridders verliezen hun leven.
De bisschop van Utrecht wordt op wrede wijze vermoord door hem voorover in de modder te laten stikken. Vervolgens wordt zijn geschoren kruin als trofee gevild. Ook zijn broers vinden de dood. Graaf Gerhard IV raakt slechts in gevangenschap; dat heeft hij te danken aan zijn betoonde vriendschap in de oorlog van 1225-1226, die niet vergeten is.
Rudolf III toont zich een ware ridder door Gerhard IV vrij te laten, zodat hij deel kan nemen aan de verkiezing voor een nieuwe bisschop van Utrecht. Gerhard IV moet echter op zijn erewoord beloven zich na de verkiezing weer in gevangenschap te begeven. Op een "rosbaar", een draagstoel door twee paarden gedragen, wordt hij gewond en ziek naar Utrecht gebracht. Samen met Floris IV van Holland krijgt hij Wilbrand van Oldenburg op de bisschopszetel.
Wilbrand van Oldenburg voert nogmaals een leger naar het noorden, maar ook ditmaal tevergeefs. De bisschop biedt vervolgens Rudolf III van Coeverden een vrijgeleide aan, zodat hij in Hardenberg aan de onderhandelingstafel kan verschijnen. Ook dan blijkt de opvatting van de nieuwe bisschop dat een gegeven woord aan opstandelingen niet geldt.
Wanneer Rudolf III in 1230/1 in Hardenberg verschijnt, wordt hij op verradelijke wijze gevangen genomen, geradbraakt en als afschrikwekkend voorbeeld opgespiest tentoongesteld aan het volk. Dit echter tegen de wil van de bisschop, maar dat is waarschijnlijk alleen bedoeld om zijn naam iets te zuiveren. In Drenthe zal vanaf nu het bisschopdom Utrecht alleen nog maar in naam zijn invloed doen gelden. De Drenten krijgen steun van de Hendrik II van Borculo, die met de erfdochter van Coevorden trouwt. Later zou deze ook burggraaf worden en door bisschop Otto III van Holland worden erkend.
Toch een grote volksheld voor de Drenten en sommige Overijsselnaren!